Prestaties van prestatie-indicatoren
Mijn vorige blog op Skipr (externe link) ging over de hitlijsten van de zorg: wordt de zorg er beter van? Ook in deze blog is dat de centrale vraag. Prestatie-indicatoren waren ooit bedoeld om de zorg beter te maken. Ik geloof daar wel in. Maar eerlijk gezegd: mijn geloof wankelt wel eens wanneer ik zie hoe we er nu mee om gaan. We hebben het allemaal niet zo handig aangepakt. We wilden per sector één set voor verschillende doeleinden: verbeteren, controleren, verantwoorden en informatie voor cliënten. Lekker makkelijk, zou je denken. Maar wat we nu zien is, dat dat uitgangspunt tot vervreemding heeft geleid. Zorgorganisaties verrichten grote inspanningen om de medewerkers veel gegevens te laten verzamelen. Maar voor wie eigenlijk?
Waar doen we het eigenlijk voor?
Die medewerkers hebben het gevoel dat ze dat voor ´de overheid´, ‘de inspectie’ of ´het management´ doen, maar zelf hebben ze er niks aan. Nou ja, niks…, veel werk hebben ze er van! En dan duurt het ook nog een hele tijd voor ze er iets over terug horen. Vaak gebeurt er nauwelijks iets mee, tot de volgende meting weer wordt aangekondigd of tenzij er iets heel erg fout is. In dat laatste geval komt het - volgens hardnekkige geruchten – soms voor dat medewerkers te horen krijgen hoe ze de vragenlijsten het beste kunnen invullen. Dan is er pas écht iets fout!
Zoeken naar alternatieven
Het probleem is, dat dit gebruik van kwaliteitsindicatoren niet goed aan het primaire proces gekoppeld is. Het is een ‘Ding an sich’ geworden. ‘Het zal wel ergens goed voor zijn!’, is de meest optimistische gedachte. Dat is niet bepaald stimulerend om met prestatie-indicatoren aan kwaliteit te werken. Zowel in de gehandicaptenzorg als in de verpleging, verzorging, thuiszorg wordt daarom gezocht naar alternatieven; alternatieven die mensen van vlees en bloed in hun volwaardige bestaan in de dagelijkse praktijk laten zien. Mensen voor wie je werkt en voor wie je warm loopt! Mensen met wie je als medewerker aan kwaliteit van bestaan of kwaliteit van leven wilt werken.
Er zijn dan andere methoden nodig om kwaliteit zichtbaar te maken: niet alleen optellen en aftrekken, maar ook vertellen: narratieve methoden. We komen dan ook uit bij het kristallisatiepunt van de voortdurende dialoog tussen cliënt en diens naasten en hulpverlener: het individuele ondersteunings- of zorgplan. Vanuit dat plan moeten we de indicatoren op organisatie en systeemniveau trekken. Het gaat dan over de échte zorg en ondersteuning die een organisatie biedt.
De nieuwe route
De VGN heeft onlangs deze route gekozen zoals ook te lezen is op de website van de VGN (externe link). Ze heeft haar partners bij de ontwikkeling van haar kwaliteitskader uitgenodigd mee dat pad op te gaan. Gezien de gedifferentieerde doelgroep van de gehandicaptenzorg is dat een pad, dat ook ruimte biedt voor massa-individualisering. Het draait de benadering van kwaliteitsmanagement 180 graden om: je begint bij het zoekproces naar een passende ondersteuning voor de cliënt. Daar ben je open over. Verbeteren, controleren, verantwoorden en informatievoorziening volgen daarop en ze gaan dan ook ergens over. De sector gaat een nieuwe generatie van kwaliteitszorg tegemoet zoals beschreven in hoofdstuk 7 van de bundel 'Over grenzen'. Medewerkers weten weer waarom het te doen is bij kwaliteitsbeleid. Het is een richting die goed is voor mijn geloof in de prestaties van prestatie-indicatoren!
Deze blog is ook verschenen op de website van Skipr (externe link)



