We hebben allemaal wat
In mijn hoofd klinkt een liedje uit mijn kindertijd: ‘We hebben allemaal wat, we zijn allemaal raar!’ Ondertussen bekijk ik mijn agenda voor de komende werkweek. Maandag vergaderingen op kantoor, dinsdag een bijeenkomst over diversiteit in ouderenbeleid bij Forum, woensdag werken aan de website en donderdag naar Borne, voor een bijeenkomst over vrijwilligerswerk in Overijssel.
Een reconstructie.
Dinsdag: overgrote deel van de deelnemers is gekleurd
Tijdens de bijeenkomst hoor ik de volgende uitspraken: ‘We zitten hier alleen maar te kletsen! We weten al 30 of 40 jaar wat Nederlandse allochtonen willen, en toch gebeurt er niets!!’, ‘De zorginstellingen zijn er nog steeds niet klaar voor, zij kampen nog steeds met een gebrek aan goed allochtoon personeel, hun samenstelling is niet divers genoeg…’, ‘Het maakt niet uit wat wij allochtonen doen, we worden toch niet gehoord! Daarom verandert er niets! Dan organiseren we onszelf, en denk je dat we dan subsidie krijgen? Neehoor!’, ‘Onze mensen weten niet hoe zij waar zij terecht kunnen voor hulp, zij weten de zorginstellingen niet te bereiken. Ze werken er wel, maar nooit in een leidinggevende positie. Alle beleidsvorming en keuzes worden gemaakt door witte mensen.’
Brug
Ik denk aan een gesprek met de Utrechtse zelforganisatie Al-Amal (externe link). ‘Wij bereiken de doelgroep wel, in tegenstelling tot zorginstellingen en gemeenten. Wij kennen de vaak zeer jonge mantelzorgers. Zoals een meisje van zes jaar oud met chronischs hoofdpijn, omdat ze niet weet wie er anders voor haar moeder moet zorgen. Maar er zijn zat voorzieningen, zij weet alleen niet hoe ze die moet regelen. We moeten zorgen voor de brug tussen onze contacten en de voorzieningen die er zijn!’
Tijdens de reis naar huis vraag ik me af hoeveel mensen in Nederland zich ongehoord en onbegrepen voelen. Wordt deze groep mensen wel serieus genomen door ‘de gevestigde orde’?
Donderdag: overwegend ‘witte’ bijeenkomst
Na het thema mantelzorg komt het thema diversiteit aan de orde. ‘Is er een probleem dan, met allochtonen die de weg niet kunnen vinden naar de zorg? Als er geen probleem is, moeten we het ook niet zoeken.’ Ik kijk verbaasd op. Dit klinkt heel anders dan wat ik dinsdag hoorde. ‘Die mensen lossen het met elkaar op’, zegt een blanke man van midden veertig. ‘Wij moeten ons niet geforceerd bezig houden met deze groepen.’
Geen probleem
De discussie gaat voort: ‘Volgens mij stikt het in de zorg van mensen die allochtoon zijn en zijn er helemaal geen problemen!’, ‘We moeten deze groep als voorbeeld stellen: ze zorgen voor elkaar, dat is toch perfecte participatie? Zo moet het!’, ‘We zitten altijd maar met hetzelfde volk te kletsen en we zien problemen die er niet zijn! Zo komen we nooit op ideeën voor innovatieve zorg.’
Ik sta versteld van de manier waarop het onderwerp diversiteit door de aanwezigen van tafel wordt geveegd. In mijn hoofd duizelt het van de gesprekken. Hoe kan het, dat de ene groep denkt dat er geen enkel probleem is, terwijl de andere groep het gevoel heeft al 30 jaar niet verder te zijn gekomen? Klopt het wel wat beide groepen (over elkaar) zeggen? Hoe kan het dat de ene bijeenkomst alleen bezocht wordt door gekleurde, en de andere alleen door witte mensen? Ligt ‘het gelijk’ juist niet ergens in het midden?
‘We hebben allemaal wat, maar we praten niet met elkaar!’ neuriet het in mijn hoofd. Zonde.



