Betekenis van sociale netwerken

Introductie

Mensen in onze omgeving, inclusief onze partner en familie, vormen samen ons sociale netwerk. Zo’n netwerk ontstaat geleidelijk, breidt zich uit en krimpt soms ook weer in. Het is een golfbeweging. Sociale netwerken zijn belangrijk voor ons welbevinden. Dat geldt ook voor mensen met een beperking.

Instellingen hebben de plicht hun cliënten te helpen bij het versterken van hun sociale netwerk.

Zonder sociaal netwerk wordt sporten een stuk moeilijker

Feiten

Sinds het begin van de jaren negentig is een nieuwe visie ontstaan op de positie van mensen met een verstandelijke beperking in de samenleving: het zogenoemde burgerschapsmodel (Van Gennep en Steman 1997).

Kenmerken van het burgerschapsmodel

  • Volwaardig burgerschap
    Mensen met een verstandelijke beperking worden gezien als volwaardige burgers van onze samenleving met dezelfde rechten en plichten als alle andere burgers.
  • Keuze en controle
    Mensen met een verstandelijke beperking moeten zelf kunnen kiezen hoe zij hun bestaan inrichten binnen de grenzen die voor alle andere burgers in onze samenleving ook gelden, dus geen bevoogding of betutteling.
  • Kwaliteit van het bestaan
    Mensen met een verstandelijke beperking moeten zelf vorm en inhoud kunnen geven aan hun bestaan, zo veel mogelijk hun leven onder gewone omstandigheden en volgens gewone patronen leiden en hun leven zo kunnen inrichten dat zij tevreden zijn met het eigen bestaan.
  • Ondersteuning
    Mensen met een verstandelijke beperking zijn vaak niet voldoende in staat om zelf hun bestaan in te richten, zelf keuzes te maken en uitvoering te geven aan die keuzes. Zij moeten hierbij ondersteund worden vanuit een sociaal netwerk (ouders, familie, vrienden, kennissen, medeleerlingen op school, collega's op het werk, vrijwilligers) en vanuit een sociaal vangnet (het professionele zorgsysteem).

Valkuilen en succesfactoren

De vijf belangrijkste valkuilen van het burgerschapsmodel:

  • Zelf de problemen oplossen
    Hulpverleners moeten juist zoeken naar manieren om mensen buiten de zorg te betrekken bij activiteiten en wensen. De rol van de hulpverlener verschuift van uitvoerend naar bemiddelend.
  • Vrijwilligers nemen de taken van hulpverleners over
    Het is beter vrijwilligers in te zetten op taken die ze leuk vinden. Bijvoorbeeld: elke week fietsen met de cliënt, samen de sportclub of een dagje winkelen.
  • Risico’s vermijden door de angst om fouten te maken
    Bij het aangaan van nieuwe contacten moeten we soms risico’s nemen. Dat betekent soms ook: loslaten. Hulpverleners moeten de balans zoeken tussen ‘laten zwemmen’ en ‘betuttelen’.
  • Te veel en te snel resultaten willen
    Netwerken opbouwen en onderhouden kost tijd. Wees geduldig en blijf proberen.
  • Vasthouden aan oude beelden
    Hulpverleners en ouders kennen de cliënt vaak al zo lang dat het moeilijk is het beeld dat zij hebben los te laten. Het gevolg is dat niet alle mogelijkheden van de cliënt benut worden.

De vijf belangrijkste succesfactoren van het burgerschapsmodel:

  • Stel de persoon centraal
    Kijk en werk vanuit de cliënt. Laat hem beslissen en denk niet te snel dat iets niet mogelijk is.
  • Durf te vragen
    Vragen is nodig om anderen te betrekken bij het netwerk van de cliënt. Collega’s (samen kom je op meer ideeën) maar vooral ook mensen buiten de zorg. Door gewoon op mensen af te stappen zijn de mooiste dingen tot stand gekomen!
  • Wees coachend
    Bij een coachende manier van ondersteuning worden risico’s anders gewogen, is het respect voor eigen keuzes groot en is er veel ruimte om dingen uit te proberen
  • Werk planmatig en resultaatgericht
    Maak een relatiecirkel en een actieplan. Maak ook een agenda en neem deze wekelijks door. Maak duidelijke afspraken en leg deze vast voor alle betrokkenen. Evalueer en stel bij. Deel de resultaten.
  • Begin klein
    Het is onmogelijk in één keer iemands eenzaamheid op te lossen. Werk in kleine stapjes. Bijvoorbeeld: een cliënt stapt eerst over van de instellingsarts naar de huisarts in de wijk, wordt dan lid van voetbalclub en gaat dan op zoek naar werk.

Meer tips en valkuilen vindt u in de handreiking De spin in het web

Context

Mensen uit ons netwerk hebben invloed op:

  • ons zelfvertrouwen
  • onze toekomstverwachtingen
  • onze waarden en normen
  • de structuur in ons leven
  • onze cultuur

Voor mensen met een verstandelijke beperking is dat niet anders. Maar vaak blijft hun netwerk beperkt tot hun relatie met professionals, ouders en enkele familieleden.

Zinvol leven

Toch is het hebben van een sociaal netwerk ook voor mensen met een verstandelijke beperking een belangrijke voorwaarde voor een leuk en zinvol leven. Maar juist voor deze groep levert dat vaak problemen op. Vaak hebben zij problemen met communiceren, ze zijn minder mobiel, hun sociale vaardigheden laten het soms afweten en ze missen het overzicht.

Het NIVEL heeft 500 mensen met een beperking geïnterviewd over hun positie in de samenleving. Het ging om mensen met een lichte (51%) of matige beperking (33%) die in staat waren om zelfstandig aan het interview mee te werken. De meeste mensen uit de onderzoeksgroep wonen met andere mensen met een beperking (72%), 19% woont alleen of met een partner. 87% woont in een woonwijk en 13% op een instellingsterrein.

Van beschermend naar ondersteunend

Het ontwikkelen, onderhouden en versterken van sociale netwerken van mensen met een verstandelijke beperking past in de omslag van aanbodgericht naar vraaggericht werken. Van ‘beschermend’ naar ‘ondersteunend’. Dit vraagt om nieuwe vaardigheden van hulpverleners en vrijwilligers, maar ook van het management. De afgelopen jaren hebben veel organisaties de sociale participatie van hun cliënten op de kaart gezet.

Enkele resultaten:

  • bij 40% van de cliënten werd het sociale netwerk met 1 à 2 personen uitgebreid
  • tweederde onderhield vaker contact en 25% voelde zich minder eenzaam
  • 75% vond dat er in hun leven iets positiefs gebeurd was

Bron: Zorg voor Beter, Verbetertraject Sociale Participatie

Historie

Voor de Tweede Wereldoorlog was de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking vooral gebaseerd op liefdadigheid. Na 1945 kunnen we drie perioden onderscheiden (Van Gennep  2000).

De periode van 1945 tot 1970

Kenmerken van deze periode:

  • Overgang van liefdadigheid naar professionele hulpverlening, de eerste professionals waren artsen en verpleegkundigen.
  • Zij gingen uit van een defecttheorie: de nadruk lag op de verschillen tussen mensen mét en mensen zónder verstandelijke beperkingen.
  • Die verschillen werden volgens deze theorie veroorzaakt door neurologische en/of genetische defecten.
  • De nadruk ligt op 'zorg' die verleend wordt in instituten naar het model van het ziekenhuis, vaak letterlijk en figuurlijk op grote afstand van de samenleving.
  • Er werd geen belang gehecht aan een sociaal netwerk.

De periode 1970 tot 1990

Kenmerken van deze periode:

  • Orthopedagogen en psychologen doen op grote schaal hun intrede.
  • Zij gingen uit van de ontwikkelingstheorie: de nadruk lag meer op de overeenkomsten tussen mensen mét en mensen zónder verstandelijke beperkingen (de mogelijkheden) dan op de verschillen (de beperkingen).
  • De hulpverlening is gericht op het stimuleren van de mogelijkheden in een zo gewoon mogelijke omgeving (normalisatieprincipe). Dit was een gevolg van de ontdekking dat gewone relaties de psychische gezondheid bevorderen (Newton e.a. 1994).
  • Men ontdekt dat de behandeling van psychische stoornissen effectiever is als die vergezeld gaat van contacten in sociale netwerken van niet-professionals.
  • De feedback in sociale netwerken zorgt voor het besef dat anderen voor je zorgen en van je houden. Deze feedback wordt opgevat als ondersteuning.

De periode na 1990

Sinds 1990 heeft het normalisatie-principe steeds meer de overhand gekregen. Normalisatie heeft twee dimensies:

  • De fysiek-structurele dimensie: mensen met verstandelijke beperkingen hoeven niet meer in een instituut te wonen maar zoveel mogelijk in de gewone samenleving. In de periode tussen 1970 en 1990 is hierop de nadruk komen te liggen wat vaak leidde tot mislukkingen.
  • De perspectief-dimensie: mensen met verstandelijke beperkingen moeten de kans krijgen om - met ondersteuning - volwaardig te participeren in de samenleving.

Na 1990 heeft deze laatste dimensie steeds meer de nadruk gekregen. Dit heeft geleid tot een nieuwe theorie: het volwaardig burgerschap.

Meer weten

Het Kennisplein Gehandicaptensector ondersteunt een platform over sociale netwerken

Links

De Toekomst (externe link)
Stichting De Toekomst is opgericht in 1995 door Erwin Wieringa en Anne Wibaut. De stichting bouwt voort op de spraakmakende training Persoonlijke Toekomst Planning die Erwin in 1992 heeft ontwikkeld.

ITSI (externe link)
Het Instituut voor Theologie en Sociale Integratie zet zich in voor een inclusieve samenleving waarin mensen met een beperking er gewoon bij horen.

Natuurlijk een netwerk (externe link)
Website voor ouders, verwanten, vrijwilligers en professionals van mensen met een (verstandelijke) beperking.

Osani (externe link)
Osani helpt mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking bij het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk.

Prokkel (externe link)
Acht organisaties op het terrein van ondersteuning van mensen met een verstandelijke beperking vragen aandacht voor maatschappelijke participatie en integratie en organiseren prikkelende ontmoetingen.

SGGD (externe link)
'Samen Geloven? Gewoon Doen! is het landelijk oecumenisch platform voor mensen met een verstandelijke beperking en de kerken.

Maakcontact (externe link)
Website van het Rode Kruis met verhelderende tips en de mogelijkheid contact met elkaar te maken.

Tags: participatie, sociale netwerken, inclusie, mentaal welbevinden