Henk Nies

Henk Nies

Te vaak en te veel vanuit beperkingen gedacht

Ongeveer een jaar geleden is de NZa aangehaakt bij het KISS-gedachtengoed (keep it simple and short), gericht op het versimpelen van de Wlz-uitvoering. De zorgautoriteit had het terugdringen van administratieve belasting voor zorgaanbieders al hoog op de agenda staan en ondersteunt dit initiatief van een aantal zorgbestuurders. Conny Veldhuizen (NZa) licht die ontwikkelingen toe. Irma Harmelink (Elver) vertelt over haar ervaringen met KISS en de NZa.

08-10-2018

‘Twee jaar geleden hebben we als NZa een nieuwe, strategische agenda gemaakt’, zegt Conny Veldhuizen, unitmanager langdurige zorg bij de NZa. ‘De kern daarvan is dat we niet willen opereren vanuit een ivoren toren, maar samen met de zorgsector werken aan onze gezamenlijke doelen waarin de cliënt centraal staat en de kwaliteit van de zorgverlening ons aller belang is.’ Een van de speerpunt van de NZa in die strategische agenda is het verminderen van administratieve lasten en als het gaat om de Wlz is dat de verantwoordelijkheid van Veldhuizen. Vanuit de doelstellingen in die strategische agenda is er bij de NZa nu dus een duidelijk aanhakingspunt met KISS, het initiatief van zo’n 30 bestuurders in de langdurende zorg om de uitvoering van de Wlz te versimpelen en de cliënt en zijn medewerkers daarbij meer eigen regie te geven.

Initiatieven voor minder regeldruk

Hoewel die strategische agenda nog relatief jong is, heeft de NZa al veel initiatieven voor administratieve lastenverlichting genomen. Vorig jaar zijn bijvoorbeeld integrale maximumtarieven ingevoerd, wat betekent dat de NZa nu bij zorginstellingen financiële gegevens uitvraagt op het niveau van budgetten en nacalculaties, niet meer op het gedetailleerde prestatieniveau. Onderzocht wordt bovendien of het mogelijk is een aantal toeslagen op te nemen in de integrale bekostiging, want het omgaan met die toeslagen bleek bij een recente informatiebijeenkomst met medewerkers van zorgadministraties een grote last op te leveren. Veldhuizen is in haar functie tevens verantwoordelijk voor het budgettaire macrokader, de basis voor de bekostiging in de Wlz. Het invoeren van zogenoemde 1 euro contracten is onderdeel van vernieuwingen in het omgaan met dat kader, want daardoor krijgen zorginstellingen en zorgkantoren meer eigen regelruimte. ‘Zo’n versimpeling hadden we vroeger nooit kunnen maken’, zegt Veldhuizen. ‘Maar tegenwoordig zitten we maandelijks met alle betrokken partijen aan tafel, onder meer om over knelpunten in de bekostiging te praten. Wij staan daar erg voor open, zoals blijkt uit de vele onderzoeken en experimenten die we op dit terrein doen.’ Voorbeeld van zo’n experiment is het onder leiding van VWS invoeren van persoonsvolgende bekostiging, zoals in Rotterdam en Limburg is gebeurd. Veldhuizen: ‘Evaluatie laat overigens zien dat we vanuit de gebruikelijke budgetafspraken ook prima tot persoonsvolgende bekostiging kunnen komen en dat gebeurt ook.’ De uitkomst van deze evaluatie staat op de NZa-site.

‘Ik vind het stoer en dapper van de KISS-bestuurders dat ze bereid zijn ook hun eigen handelen te bevragen.'

De NZa maakt dus werk van administratieve lastenverlichting in de Wlz, maar Veldhuizen constateert tegelijk dat er ‘in de praktijk veel vanuit beperkingen wordt gedacht en de bedrijfsvoering is ingericht op basis van beelden over hoe het nou eenmaal zou moeten’. Terwijl dat vaak helemaal niet zo is. ‘Ik vind het stoer en dapper van de KISS-bestuurders dat ze bereid zijn op dit punt ook hun eigen handelen te bevragen. Dat helpt ons weer om goed te kijken waar we echt belemmerend zijn in onze regelgeving’, zegt ze. ‘Terwijl we natuurlijk tegelijkertijd een opdracht hebben als uitvoerder van de wet. Dat mogen we niet uit het oog verliezen.

Onterecht verwijzen naar de NZa

Irma Harmelink is zo’n KISS-bestuurder. ‘Van het eerste uur’, zegt ze. Harmelink werkte eerder in de VVT-sector en is tegenwoordig werkzaam bij Elver, instelling voor gehandicaptenzorg. Ze beaamt de woorden van Veldhuizen over verkeerde aannames in de regelgeving en noemt een voorbeeld uit de materiële controle, waarbij wordt nagegaan of de zorgverlening conform budgettaire afspraken heeft plaatsgevonden; tot nu toe een bron van grote administratieve rompslomp en het onderwerp dat bestuurders in de langdurende zorg het meest dwars zit. ‘Maar sommige dingen zijn er volkomen onterecht ingeslopen’, zegt Harmelink. Ze geeft het voorbeeld van de vermeend verplichte handtekeningen onder alle zorgplannen. ‘Dat blijkt helemaal niet in de wet te staan, hoewel lange tijd iedereen verwees naar de NZa, alsof het daar vandaan kwam.’

‘Sommige dingen zijn er volkomen onterecht ingeslopen’

In de materiële controle gaat het om onderzoek naar de rechtmatigheid van de zorgverlening. Op een gegeven moment heeft iemand bedacht dat een handtekening van de cliënt of van zijn wettelijke vertegenwoordigers onder het zorgplan een goede manier zou kunnen zijn om die rechtmatigheid te borgen. Vervolgens is dat in het systeem geslopen, hebben instellingen procedures ontwikkeld voor een centrale registratie van handtekeningen en zijn accountants daarop gaan controleren.

Onderzoek naar verslimmen materiële controle

Veldhuizen vertelt dat ze vanuit haar verantwoordelijkheid voor administratieve lastenverlichting op verzoek van bestuurders een analyse-onderzoek heeft gedaan naar het ‘verslimmen’ van de materiële controle. ‘Wij denken dat de inrichting van de materiële controle op zichzelf qua administratieve last behapbaar is. Waar instellingen vooral last van blijken te hebben is dat zorgkantoor X het anders uitvraagt dan Y, plus dat gemeenten in de WMO-regelgeving en de verantwoording daarop er allemaal een andere draai aan geven. Dat maakt het erg complex.’ Harmelink voegt hieraan toe dat ook zorgkantoren ieder op hun eigen manier omgaan met de materiële controle. Want volgens de huidige systematiek controleert het zorgkantoor of de zorginstelling op drie domeinen heeft geleverd wat er in het zorgzwaartepakket zit; het gaat dan om wonen, dagbesteding en behandeling. De zorginstelling moet dit op cliëntniveau verantwoorden, terwijl in de gehandicaptenzorg en in de ouderenzorg mensen vaak in groepsondersteuning leven. Harmelink: ‘Moeten onze begeleiders dan diensten, producten en tijd toeschrijven aan individuen? Dat noem ik het creëren van een schijnwerkelijkheid.’

Organisaties zien te verbinden

Veldhuizen ziet het als een opdracht voor de NZa om alle partijen die betrokken zijn bij de materiële controles in lijn met elkaar te brengen. Dat zou veel administratieve belasting schelen. En dit lijkt heel erg te passen in het KISS-gedachtengoed. Maar Harmelink denkt daar duidelijk anders over. ‘Want,’ zegt ze, ‘ook na versimpeling en bestrijden van belemmeringen, blijft de basisgedachte dat we systeempartijen nodig hebben om zorgaanbieders te controleren. Binnen de KISS-opvattingen hebben we juist het vertrouwen dat cliënten het zelf kunnen doen. Elke unieke cliënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan aan ons laten weten of we het goede doen. En wat voor de ene cliënt goed is, is dat niet per definitie ook voor de andere cliënt.’ Harmelink snapt natuurlijk dat de maatschappij niettemin iets van een formele verantwoording verwacht; het gaat immers om publieke gelden. ‘Daar hebben we het als KISS-bestuurders over gehad. Wij zeggen toets dan bijvoorbeeld op kwaliteit in de vorm van toetredingsvoorwaarden, stel eisen aan professionele kwaliteit (diploma’s) en onderzoek hoe solide de bedrijfsvoering is. Daarin blijft eveneens een rol voor de accountant weggelegd, maar op een heel ander niveau dan nu.’

In deze ultieme KISS-gedachte is het dus de vraag of een systeempartij als de NZa uiteindelijk in staat is het idee los te laten dat zorgaanbieders gecontroleerd moeten worden. Veldhuizen: ‘Ik vind dat moeilijk. We praten hier niet alleen over wat wij als NZa vinden. Het gaat ook en vooral over de systematiek die we in Nederland bedacht hebben. Dat begint bij de belastingbetaler, aan wie we uiteindelijk verantwoording moeten afleggen. Daar kunnen we en willen we niet onderuit. Als we dat toch loslaten en het echt bij het individu neerleggen, dan zijn we heel veel jaren verder. Ik weet niet of we daar ooit gaan komen.’ Harmelink herkent dit dilemma. ‘Als het gaat om loslaten, heb ik ook mijn bestuurlijke dilemma’s. Toch wil ik mezelf steeds uitdagen op de vraag wat we als professionals eigenlijk beter kunnen dan de cliënt zelf.’

Lees meer over het KISS-project

Meer informatie? Neem contact op met:

HenkLid raad van bestuur
Henk
Nies
Lid raad van bestuur h.nies@vilans.nl 06 22 49 88 62
Profiel
Persvragen? Neem contact op met afdeling communicatie via 06 460 433 51 of pers@vilans.nl