Marcel Klein

Marcel Klein

Verbinden met cliënten in de anderhalvemetersamenleving

Per 1 juli heeft de rijksoverheid de maatregelen rondom COVID-19 versoepeld. Toch blijft één regel onverminderd gelden: houd afstand van elkaar. Hoe kunt u in de anderhalvemetersamenleving toch verbinding maken met cliënten, zeker als mensen én een verstandelijke beperking hebben én slechtziend of blind zijn?

13-07-2020

De Academische Werkplaatsen, aangesloten bij de Associatie van Academische Werkplaatsen Verstandelijke Beperkingen, hebben gezamenlijk een antwoord geformuleerd op de praktijkvraag Wat is de impact van langdurig geen bezoek kunnen ontvangen? (pdf), samen met een aantal andere vragen. We spraken prof. dr. Carlo Schuengel, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Vragen over corona

Waarom hebben jullie besloten om je in deze vraag te verdiepen?

‘De Academische Werkplaatsen hebben de opdracht om hun programma van onderzoek op te bouwen vanuit praktijk,’ begint Schuengel. ‘Corona leidde natuurlijk tot heel veel verschillende vragen, op allerlei niveaus. In dit geval kwam de vraag binnen via Marion Kersten van de Vereniging Gehandicaptensector Nederland en tevens scientist-practitioner bij Tranzo. Het was meteen duidelijk dat deze vraag volstrekt nieuw was en heel relevant voor de ingewikkelde afwegingen die de praktijk moest maken.’

Zoek elkaar op en laat de ander doen waar die goed in is. Zo elkaar versterken komt ten goede aan de kennisinfrastructuur.

Hoe komen jullie tot een antwoord op zo’n vraag?

‘Veel vragen rondom het coronavirus vragen om een multidisciplinair antwoord. Dat merkte ik niet alleen in onze Academische Werkplaats maar dat besef leefde ook bij de andere Academische Werkplaatsen. Binnen een dag waren de trekkers van de Academische Werkplaatsen het erover eens dat we samen zouden optrekken. Dat is nodig, want iedere werkplaats heeft zijn eigen expertise. Iedere werkplaats wees ook een coördinator aan om met elkaar taken te verdelen en contact te leggen met de vragensteller. Die wordt altijd bij het proces betrokken*.’

Beleid rondom bezoek

Waarom is dat zo belangrijk?

‘Omdat het alleen zin heeft als de antwoorden bruikbaar zijn voor de praktijk. Dat is het ook het idee achter de Academische Werkplaatsen. Door van begin tot eind in gesprek te blijven voorkom je dat de beantwoording afdwaalt. In eerdere versies van de antwoordformulering was het taalgebruik bijvoorbeeld niet goed, het was te belerend. De VGN wees ons hier terecht op.’

Wordt de nieuwe kennis naar aanleiding van deze vraag al in de praktijk toegepast?

‘In dit geval was het antwoord dat er onvoldoende wetenschappelijke kennis is over de impact van geen bezoek. Een negatief effect is wel plausibel, maar er is geen sterk bewijs, zeker niet per doelgroep of per situatie. Dit betekent dat beleid rondom bezoek en COVID-19 op andere gronden moet worden bepaald. Dat is ook gebeurd. De vraag draaide om wetenschappelijk bewijs, niet om een wetenschappelijke mening over het beleid. Die hebben we dan ook niet gegeven.’

Beeldbellen als alternatief?

Is het niet jammer dat de toepassing van kennis niet direct terug te zien is in de praktijk?

‘Wetenschap kan nooit een-op-een terug de praktijk bepalen. Uiteindelijk leidt het antwoord op deze vraag ook weer tot nieuwe vragen. Neem beeldbellen. Wij kwamen allerlei handreikingen en adviezen tegen waarin dit als alternatief voor fysiek bezoek werd genoemd. Maar is het ook haalbaar en aantrekkelijk? Dit zijn we nu zelf verder gaan uitzoeken, samen ook weer met de praktijk.’

‘Het is bovendien belangrijk om onderscheid te maken tussen onderzoeksvragen en “opzoekvragen”. Als Academische Werkplaats zijn we primair bedoeld voor die eerste categorie maar omdat het crisis was hebben we ook willen helpen met vragen waar geen diepgaand onderzoek nodig was. Voor de vraag over de impact van geen bezoek hadden we 3 weken nodig. Nog steeds heel snel voor de wetenschap, maar voor opzoekvragen en factchecking lagen de antwoorden er soms binnen een week. Maar ook dat is soms voor de praktijk nog te langzaam, zeker in de eerste periode van de crisis.’

Waar liggen nog kansen voor de optimalisatie van kennisinfrastructuur?

‘Bij het nog scherper krijgen van de positie en rolverdeling van spelers in de langdurende zorg. Wie moet zich met welk soort vragen bezighouden? Elke speler heeft eigen vaardigheden en mogelijkheden. Maak daar gebruik van en werk samen! Zoek elkaar op en versterk elkaar door de ander te laten doen waar die goed in is! Dat komt de kennisinfrastructuur uiteindelijk ten goede.’

Dit is een verhaal in de serie van Wetenschap naar Praktijk, onderdeel van het Vilans-programma Kennisinfrastructuur Langdurige zorg. In deze serie komen praktijkvragen aan bod waarop de wetenschap een antwoord heeft geformuleerd.

*De gezamenlijke aanpak van corona-gerelateerde vragen vanuit de Associatie van Academische Werkplaatsen voor mensen met Verstandelijke Beperkingen leest u in een aanstaande publicatie: Petri Embregts, Geraline Leusink, Dederieke Maes - Festen, Annette van der Putten, Paula Sterkenburg & Carlo Schuengel (2020). COVID-19 en de zorg en ondersteuning aan mensen met verstandelijke beperkingen: alleen samen krijgen de academische werkplaatsen de kennisvragen beantwoord. Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan mensen met verstandelijke beperkingen.

Meer informatie over kennis overdragen naar de praktijk

Ga naar de overzichtspagina over het coronavirus

Meer informatie? Neem contact op met:

KarlijnSenior adviseur kennispleinen
Karlijn
Kwint
Senior adviseur kennispleinen k.kwint@vilans.nl 06 15 55 15 78
Profiel
Persvragen? Neem contact op met afdeling communicatie via 06 460 433 51 of pers@vilans.nl