Ambulantisering: 8 lessen uit de VVT en ggz
Gepubliceerd op:
Ambulante ondersteuning is niet nieuw voor de gehandicaptenzorg. Veel organisaties hebben al jarenlang ervaring met ambulante begeleiding vanuit de Wmo. Wat nieuw is, is dat er steeds meer mensen met een Wlz-indicatie zelfstandig wonen of gaan wonen. Wat vraagt dat van professionals, organisaties en samenwerkingspartners?
Met deze vragen nam Vilans een kijkje bij andere sectoren om te onderzoeken wat we kunnen leren van deze aanpak. Lees de 8 geleerde lessen die we hebben opgehaald uit de VVT en ggz.
Wat is ambulante ondersteuning?
Ambulante ondersteuning (vaak ook ambulante begeleiding genoemd) is een vorm van zorg en hulp waarbij een begeleider of hulpverlener bij iemand thuis of op locatie komt, terwijl de cliënt zelfstandig blijft wonen. Het hoofddoel is dat de cliënt zo lang en zo goed mogelijk zelfstandig kan blijven wonen en de regie over zijn eigen leven houdt.
1. Begin bij het dagelijks leven
In de ggz is behandeling thuis al jarenlang het uitgangspunt. Daar ontstond het inzicht dat herstel niet plaatsvindt in een spreekkamer, maar juist in het dagelijks leven van mensen. Die gedachte biedt ook voor de gehandicaptenzorg waardevolle lessen. Niet de indicatie of zorgvraag staat centraal, maar de vraag wat iemand nodig heeft om in de eigen woonomgeving zo zelfstandig mogelijk te wonen, mee te doen in de wijk en regie te houden over het eigen leven. Dat sluit goed aan bij het agogisch perspectief van de gehandicaptenzorg. Tegelijkertijd vraagt ambulantisering om ondersteuning niet vanzelfsprekend te organiseren vanuit een locatie of instelling, maar vanuit het leven dat cliënten thuis en in de wijk leiden.
2. Mantelzorg vraagt blijvende aandacht
De VVT heeft veel ervaring opgedaan met mensen die langer thuis wonen. Daar blijkt steeds opnieuw hoe belangrijk het is om niet alleen te kijken naar wat de cliënt zelf kan, maar ook naar de draagkracht van het netwerk. Wanneer ondersteuning wordt afgebouwd of verandert zonder oog voor naasten, kan dat juist leiden tot overbelasting en nieuwe problemen. Ook voor de gehandicaptenzorg is dit belangrijk om in het oog te houden. De rol van naasten kan veranderen wanneer iemand zelfstandig gaat wonen. Daarom vraagt mantelzorgondersteuning om blijvende aandacht. Hoe gaat het met de naasten? Wat kunnen en willen zij bijdragen? En wat hebben zij nodig om betrokken te blijven op een manier die voor hen vol te houden is?
3. Ambulant werken vraagt méér vakmanschap
In de ggz is het uitgangspunt dat ambulantisering niet per definitie leidt tot lichtere zorg. Juist buiten een instelling moeten professionals voortdurend afwegen, schakelen en samenwerken. Waar binnen een instelling ondersteuning en expertise vaak dichtbij zijn, vraagt ambulant werken om creativiteit, zelfstandigheid en het vermogen om in te spelen op situaties die zich in het dagelijks leven voordoen.
Ook voor de gehandicaptenzorg ligt daar een aandachtspunt. Ambulant werken vraagt om vertrouwen in professioneel vakmanschap en om ruimte om risico's zorgvuldig af te wegen. De uitdaging is niet om alle risico's uit te sluiten, maar om samen met de cliënt en naasten te bespreken welke risico's aanvaardbaar zijn en hoe je daarmee omgaat. Dat vraagt om deskundigheid, duidelijke afspraken en het besef dat niet elk incident te voorkomen is.
4. Verbind agogische en medische expertise
De gehandicaptenzorg heeft een sterke agogische basis. Dat betekent dat het gaat om het begeleiden, sturen of stimuleren van veranderingsprocessen bij mensen. Tegelijkertijd laat de ggz zien dat ambulantisering ook vraagt om voldoende medische en psychiatrische expertise. Zeker bij complexe situaties is het belangrijk dat professionals kunnen terugvallen op specialistische kennis en behandeling. De kracht zit juist in de combinatie van de agogische en medische benadering. Goede ondersteuning thuis vraagt om samenwerking tussen begeleiders, gedragsdeskundigen, artsen en andere betrokken professionals. Door expertise samen te brengen, kunnen complexe situaties vroegtijdig worden herkend en hoeft niet direct te worden opgeschaald naar zwaardere zorg.
5. Verandering vraagt kartrekkers
In de VVT blijkt dat ambulantisering niet vanzelf ontstaat. Het vraagt om mensen die het waarom van de verandering kunnen uitleggen, anderen meenemen en de verbinding leggen tussen beleid en praktijk. Dat vraagt om doorzettingsvermogen en een lange adem.
Succesvolle veranderingen steunen vaak op kartrekkers op verschillende niveaus in de organisatie: op de werkvloer, in beleid en in managementfuncties. Ook leidinggevenden spelen daarin een belangrijke rol. Zij helpen om richting te geven, knelpunten weg te nemen en ambulantisering onderdeel te maken van de dagelijkse praktijk, zodat cliënten de ondersteuning krijgen die past bij hun leven thuis.
6. Leren stopt niet na een training
In de VVT is de ervaring dat scholing alleen niet voldoende is om ambulantisering in de praktijk vorm te geven. Nieuwe manieren van werken vragen tijd, begeleiding en ruimte om samen te reflecteren. Juist door coaching in de praktijk ervaren professionals wat ambulant werken vraagt en hoe zij daarin kunnen groeien. Ook voor de gehandicaptenzorg kan dat belangrijk zijn. Veel organisaties hebben ruime ervaring met ambulante ondersteuning vanuit de Wmo. Ambulantisering van mensen met een Wlz-indicatie vraagt echter om aanvullende kennis en vaardigheden, omdat de zorgvragen vaak anders en soms ook complexer en intensiever zijn. Dat leer je niet in één training. Door scholing te combineren met coaching, intervisie en leren in de praktijk, blijven professionals aangehaakt en ontstaat ruimte om nieuwe werkwijzen stap voor stap eigen te maken.
Tegelijkertijd vraagt dit om een blijvende reflectie op de rol van de organisatie in een veranderende samenleving en op het aansluiten van het eigen aanbod bij ontwikkelingen in de regio en daarbuiten.
7. Klein beginnen, groot denken
In de VVT bleek dat de wens om ambulantisering eerst kleinschalig uit te proberen niet altijd samengaat met de regionale opgave om voldoende zorg beschikbaar te houden. Organisaties hebben vaak een verantwoordelijkheid richting gemeenten, zorgkantoren en andere partners om passende ondersteuning toegankelijk te houden.
Ook voor de gehandicaptenzorg is die spanning herkenbaar. Klein beginnen helpt om te leren en ervaring op te doen. Tegelijkertijd vraagt ambulantisering om samenwerking en afstemming op regionaal niveau. De kunst is om ruimte te maken voor experimenteren, zonder de bredere regionale opgave uit het oog te verliezen.
8. De wijk doet mee
Zowel in de ggz als in de VVT wordt benadrukt dat goede ondersteuning niet alleen bestaat uit professionele zorg. Juist in het dagelijks leven spelen het informele netwerk, vrijwilligers, buurtinitiatieven en welzijnsvoorzieningen een belangrijke rol. Soms helpt een ontmoeting in de buurt, een maatje of een activiteit meer dan het toevoegen van een extra professional.
Ambulantisering gaat over anders organiseren
Voor deze inzichten spraken wij met een langer-thuis-verpleegkundige uit de VVT en een verpleegkundig specialist uit de ggz, met beiden veel ervaring met ambulantisering. De gehandicaptenzorg hoeft (en kan) deze sectoren natuurlijk niet precies nadoen, maar kan wel leren van die ervaringen. Misschien is de belangrijkste les wel: ambulantisering gaat niet over minder zorg, maar over anders organiseren. Over samenwerken, vakmanschap, het versterken van netwerken en vooral over het centraal stellen van het dagelijks leven van mensen. Precies daar waar het leven zich afspeelt: in de wijk.