Ouderenzorg verandert en vraagt om duurzame samenwerking
Gepubliceerd op:
Onlangs publiceerde het RIVM een gedetailleerd rapport over de veranderingen in de Nederlandse ouderenzorg in de periode 2018-2024. De belangrijkste bevindingen zijn dat ouderen langer zelfstandig blijven wonen en thuis (indien nodig) zorg ontvangen. En dat ze pas op hogere leeftijd naar een verpleeghuis verhuizen. Daardoor is de zorg die ouderen op dat moment nodig hebben vaak intensiever en hun verblijfsduur in het verpleeghuis gemiddeld korter. Deze verschuiving in de zorgvraag, samen met andere factoren als de toenemende vergrijzing, zorgt ervoor dat ‘vraag en aanbod’ soms niet meer goed zijn afgestemd. Dat maakt aanpassingen noodzakelijk.
Marloes Berkelaar, programmaleider van RegioKracht, onderdeel van Vilans, reflecteert aan de hand van dit rapport. Wat is er volgens haar nodig om de ouderenzorg, en met name de verpleeghuiszorg, toekomstbestendig te maken? Welke rol kan RegioKracht daarbij spelen? Wat haar betreft zijn 2 factoren essentieel: samenwerking en kennisdeling.
Rapport als onderbouwing
Marloes is niet verrast over de bevindingen in het RIVM-rapport. Vilans ziet in de praktijk al langere tijd dat ouderen langer thuis of ‘zoals thuis’ blijven wonen. Dat is ook in lijn met het overheidsbeleid. Niettemin is het een belangrijk rapport, wat haar betreft.
‘Het rapport zet, met uitgebreide data, de diverse verschuivingen in de ouderenzorg op een rijtje. Daarmee vormt het als het ware een onderbouwing. Het laat zien waar de regio’s al stappen zetten en tegelijkertijd maakt het duidelijk welke opgaven er nog liggen rond regionaal samenwerken en de organisatie van zorg, ondersteuning en wonen. Daarbij gaat het overigens niet alleen om zorgaanbieders en regio’s, maar ook om de systeempartners, gemeenten en andere maatschappelijke partners. Zorgaanbieders móéten wel op die verschuiving inspringen. Maar dat kan alleen het beste als de beleidsvoorwaarden meebewegen. Hopelijk toont het rapport aan alle betrokken partijen de urgentie om in te spelen op de veranderde zorgbehoefte van ouderen’, aldus Marloes.
Samenwerken in plaats van concurreren
Het rapport laat bestuurders aan het woord die aangeven dat de vroegere businessmodellen voor verpleeghuizen niet meer kloppen. Door de instroom van bewoners met zwaardere zorgvragen en een kortere verblijfsduur moet er anders worden nagedacht over bijvoorbeeld bedbezetting, doorstroom en planning, organisatie van de zorg en personeelsinzet. Marloes beaamt dit. ‘We moeten toe naar een samenwerkingsmodel in plaats van een concurrentiemodel. Vilans als kennisorganisatie voor zorg en ondersteuning, is daar al langer en in bredere zin mee bezig, dus niet alleen als het om verpleeghuiszorg gaat. Men moet bereid zijn om over het eigen organisatiebelang heen te stappen. Het programma RegioKracht ondersteunt, als onafhankelijke partij, daarbij de regio’s.
We moeten toe naar een samenwerkingsmodel in plaats van een concurrentiemodel.
Marloes Berkelaar, programmaleider van RegioKracht
Marloes benadrukt dat we er niet aan ontkomen om ook naar de randvoorwaarden te kijken. Als voorbeeld noemt ze de zorginkopers van zorgkantoren. ‘Het huidige model is nog te veel gestoeld op concurrentie en op financiële prikkels. Gelukkig zien we ook bij de zorginkopers de beweging naar samenwerking, maar dat kan niet zonder aanpassing van de randvoorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan betaaltitels en tarieven. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Nederlandse Zorgautoriteit zijn net zo goed betrokken. We moeten met zijn allen kleine stapjes zetten.’
Van regionale vraagstukken naar bruikbare kennis
Het rapport laat zien dat in sommige regio’s regionale samenwerkingen en overlegstructuren zijn opgezet om gezamenlijke wachtlijst- en capaciteitsproblemen aan te pakken. Marloes: ‘Je kunt hiermee alleen aan de slag als de basis gemeenschappelijk is. Oftewel, als alle partijen aan de regiotafel zich voor een bepaalde kwestie willen inzetten. De strategisch ondersteuners van RegioKracht faciliteren hierbij de samenwerking tussen bijvoorbeeld VVT-organisaties, gemeenten, welzijnsorganisaties en andere partijen in de regio.’
Ze vervolgt: ‘De inzichten die daarbij worden opgehaald, vertalen we naar ervaringsverhalen, methodieken en tools waarmee andere regio's hun voordeel kunnen doen. We merken dat deze kennis erg gewaardeerd wordt. Mensen met dezelfde rol leren graag hoe anderen omgaan met vraagstukken die zij zelf ook tegenkomen. Via onze bijeenkomsten voor regionale programmamanagers, online community en appgroep weten zij elkaar ook steeds beter te vinden. Zo ontstaat een krachtige wisselwerking: praktijk voedt kennis, kennis ondersteunt praktijk. Regionale vraagstukken leiden op die manier tot kennisdeling.’
Zo ontstaat een krachtige wisselwerking: praktijk voedt kennis, kennis ondersteunt praktijk. Regionale vraagstukken leiden op die manier tot kennisdeling.
Marloes Berkelaar, programmaleider van RegioKracht
Duurzame samenwerking
Kennisdeling en samenwerking zijn 2 belangrijke pijlers, aldus Marloes. Ze benadrukt dat Vilans als kennisorganisatie voor zorg en ondersteuning hierbij een faciliterende en geen sturende rol heeft. ‘De praktijk loopt altijd voorop en we pretenderen niet dat we pasklare oplossingen hebben. We geven partijen wel handvatten mee in de vorm van werkzame elementen. Want organisaties hebben natuurlijk ook gewoon te maken met de dagelijkse drukte. De transitie in de ouderenzorg, en hoe daarmee om te gaan, komt nog eens extra op hun bordje. Het is als je winkel verbouwen en hem tegelijkertijd openhouden. Daarom ondersteunt Vilans bij het opzetten van een duurzame samenwerkingsrelatie, zodat partijen het uiteindelijk samen verder zelf kunnen.’
Veranderde zorgbehoefte is leidend
Hoe kan Vilans helpen om de ouderenzorg toekomstbestendig te maken? Marloes hoeft hier niet lang over na te denken. ‘Vilans heeft inmiddels expertise op verschillende thema’s die een belangrijke rol spelen bij de transitie in de ouderenzorg. Denk aan technologie, arbeidsmarktvraagstukken, informele zorg, wonen en zorg, zorgzame gemeenschappen en samenwerkingsvaardigheden.’
Daarmee is de toekomstige inrichting van de ouderenzorg nog geen gelopen race. ‘Ik denk dat we inmiddels allemaal in grote lijnen weten wat de ingrediënten zijn. De kennis is er en we realiseren ons dat samenwerking een belangrijke factor is. Maar de praktijk blijkt soms taai en de uitdagingen liggen op alle niveaus, van het landelijke systeem tot aan de professional op de werkvloer. Dat hoort ook bij een transitie; om veranderingen en verbeteringen voor de toekomst door te voeren moeten soms oude kaders worden losgelaten. Dat kost tijd. Tegelijkertijd wil iedereen dat onze ouderen een prettige oude dag hebben, willen we dat onze systemen en regelingen zo goed mogelijk aansluiten bij hun behoeften. Het RIVM-rapport laat heel duidelijk zien hoe die behoeften veranderen, dus laat dat onze motivatie zijn!’